Veelgestelde vragen

Hieronder treft u een overzicht aan van regelmatig terugkerende vragen. Binnen de Vakgroep Bliksembeveiliging is een team van specialisten actief die binnenkomende vragen behandelen en van antwoord voorzien. Op de vragen en antwoorden is de proclaimer van toepassing.
Staat uw vraag er niet bij? Dan kunt u de vraag sturen naar Vakgroepmanager Terry Heemskerk.
Bij een renovatieproject leg ik een kunststofvloer aan in plaats van een tegelvloer. Onder de vloer ligt een betonvloer met wapening en verder loopt daarin, of onder, helemaal niets. Moet ik hier een aardmat in aanbrengen of is het voldoende om alleen het rvs doucheputje te aarden in de vloer?
Een aardmat wordt gebruikt voor potentiaalvereffening. In deze situatie is de vloer van kunststof. Er hoeft dan geen aardmat te worden gebruikt. Het metalen putje zou wel geaard moeten worden omdat dit via vocht in contact kan komen met de metalen delen in de vloer.
Wat is er waar van de stelling: 'Het aanleggen van overspanningsbeveiligingen kan en mag niet zonder dat er een bliksembeveiligingsinstallatie wordt aangelegd.' Leidt dit juist tot extra risico’s of niet?
Overspanningbeveiliging kan wel gewoon aangebracht worden zonder dat er sprake is van een uitwendige bliksembeveiliginginstallatie. Hierdoor worden enkel elektrische en elektronische systemen beveiligd; niet het object zelf. Andersom: als er een uitwendige bliksembeveiliging wordt aangebracht, moeten er in verband met geleidende voorzieningen die het object binnenkomen aarding en potentiaalvereffening worden toegepast om brand te voorkomen. Dit kan rechtstreeks of via een overspanningsbeveiliging worden gerealiseerd. De noodzaak en de eventuele risico’s van het wel of niet aanbrengen van bliksembeveiliging volgt uit de risicoinventarisatie (NEN EN-IEC 62305, deel 2) die vooraf gemaakt moet worden.
Leveren aparte overspanningbeveiligingen per verdeelkast, telefoon en CAI toegevoegde waarde ten opzichte van de per elektronisch apparaat aangeschafte stekkerblokken met overspanningsbeveiliging?
Het alleen plaatsen van stekkerblokken met een overspanningbeveiligingcomponent beveiligt alleen de apparatuur aangesloten op het stekkerblok, dus op apparaatniveau. Beveiligt men per woning de inkomende voeding, CAI en telefoon, dan is dit zeker van toegevoegde waarde omdat hierdoor een veel groter deel van de elektrische en elektronische systemen wordt beveiligd.
Tijdens evenementen worden er vaak enorme circustenten geplaatst. Met slecht weer wordt regelmatig aan de aanwezigen gevraagd in die tenten te blijven, ook bij onweer. Moeten deze tenten voorzien zijn van bliksembeveiliging of is de stalen constructie de beveiliging van zo'n tent?
Als onweer nadert, dan bieden gebouwen met bliksembeveiligingssystemen of gesloten voertuigen de beste bescherming. Hebben we te maken hebben met grote circustenten, dan is de stalen constructie hiervan zonder enige maatregelen niet genoeg om voldoende bescherming te bieden tegen blikseminslag. Er zullen dus maatregelen moeten worden genomen waarbij gelet dient te worden op o.a. de volgende punten: Aarding van metalen constructie, Aanraak -en stapspanningen, Voorkomen van paniek door bijvoorbeeld het uitvallen van verlichting, etc.
Levert een rookgaskanaal van 2 meter hoogte, aangelegd ten behoeve van een open haard, op een nieuwbouwwoning met een plat dak extra gevaar op een blikseminslag op? En is daarvoor een aparte bliksemafleider nodig?
Door het plaatsen van een rookgaskanaal tot zo'n twee meter boven het dak wordt het risiconiveau slechts minimaal verhoogd, ten opzichte van het bestaande risico. Mocht er toch inslag plaatsvinden op het rookgaskanaal dan zal deze niet automatisch naar de grond verdwijnen, maar een weg zoeken naar aarde. Dit gebeurt dan in de meeste gevallen ongecontroleerd. Gevolg is dan dat er alsnog schade kan ontstaan. Zou er een bliksembeveiliging aanwezig zijn, en er wordt ook rekening gehouden met het rookgaskanaal, dan zal er geen schade ontstaan.
Wie is verantwoordelijk voor de bliksembeveiligingsinstallatie en de bijhorende inspectie in het geval van verhuur en huur?
Zowel de Oude NEN 1014 als de huidige NEN EN-IEC 62305 vermelden hier niets over. Wie dus verantwoordelijk is voor de inspectie van de installatie kan zijn vastgelegd in het huurcontract. Echter, in de huidige NEN EN-IEC 62305-3 onder E.7.3.1 wordt bij Algemene Opmerkingen Hoofdstuk E.7 Onderhoud en Inspectie van de LPS (bliksembeveiligingsinstallatie) het volgende vermeld: de inspectie- en onderhoudsprogramma’s zouden moeten worden gespecificeerd door een instantie, de ontwerper of de installateur van de LPS, tezamen met de eigenaar van het object of een aangewezen vertegenwoordiger. Vaak heeft namelijk de eigenaar van het object of een aangewezen vertegenwoordiger de documenten van oplevering van de destijds geïnstalleerde installatie. Hierin staan belangrijke gegevens die de inspecteur nodig heeft om de installatie te inspecteren zoals bijvoorbeeld de datum van aanleg, bliksembeveiligingsklasse, etc. Het betreft hier dan ook vaak installaties die al aanwezig waren voordat een huurder het pand betrok. Omgekeerd kan ook: dan blijkt bijvoorbeeld dat een huurder vanwege bepaalde bedrijvigheden een bliksembeveiliging nodig heeft met een specifieke bescherming (beveiligingsklasse) die dus later wordt aangelegd of waarbij de bestaande wordt aangepast. Samengevat zal dus moeten worden gekeken wat er is afgesproken in het huurcontract.
Is het verplicht in een woonhuis binnen de meterkast de eindgroepen te verdelen over twee aardlekschakelaars?
Omdat in een woning de lichtvoorziening moet zijn gewaarborgd, dient in een woning de installatie over ten minste twee 30 mA-aardlekschakelaars te zijn verdeeld. Elke 30 mA-aardlekschakelaar mag maximaal vier eindgroepen beveiligen. Het verdient aanbeveling om per bouwlaag de verlichting over meer dan één aardlekschakelaar te verdelen. Het bovenstaande is niet van toepassing indien op een andere manier de ongestoorde lichtvoorziening is gewaarborgd.
Tegenwoordig zijn de verwarming en waterleidingen van Multiskin (dat wil zeggen: aan de binnenkant een kunststof laagje en aluminium en buiten kunststof). Deze leidingen kunnen moeilijk of helmaal niet geaard worden. Moet deze leidingen toch geaard worden?
Als er geen mogelijkheid is tot aansluiten van dit type leidingen, dan dient er na de koppeling bij bijvoorbeeld een radiator de aansluiting voor aarding aangebracht te worden.
Hoe groot moet een aardmat in de badkamer zijn, gerelateerd aan de afmetingen/indeling van de badkamer?
De aardmat moet een deugdelijk gevlochten of gelaste metalen mat zijn met: een maaswijdte van ten hoogste 0,15 m en een draadmiddellijn van ten minste 2 mm. De aardmat dient over de gehele natte ruimte aangebracht te worden ongeacht de zoneringen.
Waar mag een aardmat liggen en aan welke hoogte moet die voldoen?
Op grond van bepaling 701.415.2 NEN 1010 moet in een badruimte aanvullende potentiaalvereffening worden toegepast. Dit houdt in dat alle vreemde geleidende delen (dat zijn die delen die volgens 2.12.1 1 NEN 1010 oorzaak van spanningsversleping kunnen zijn) en alle gestellen van toestellen onderling moeten worden verbonden met een vereffeningsleiding van voldoende doorsnede. Bepaling 701.415.2 NEN 1010 zegt ook dat deze potentiaalvereffening plaatselijk moet zijn, dus toegepast binnen de badruimte. Dit houdt in dat de beschermingsleiding(en) en de vereffeningsleiding binnen de badkamer met elkaar moeten zijn verbonden. De volgende geleidende delen kunnen oorzaak zijn van potentiaalversleping en zijn dus vreemde geleidende delen en maken dus deel uit van de potentiaalvereffening: metalen waterleidingen; metalen cv-leidingen; metalen wanden; metalen frames van voorzetwanden; metalen frames in badkamerwanden; metalen zwaluwstaartplaten of metalen platen van vergelijkbare constructie. vloeren met een in een andere ruimte dan de badruimte doorlopende wapening. Bovenstaande is van toepassing op vreemd geleidende delen, buiten deze vereffeningen zal er nog steeds een aardingsmat toegepast worden (deze dient in de cementdekvloer aangebracht te worden). De praktijk laat zien dat bij een afwerking met bijvoorbeeld gevoegde tegels na verloop van tijd vocht ervoor zorgt dat de elektrische weerstand minder wordt. Alleen wanneer er een echt isolerende vloer is gelegd, bijvoorbeeld een polystyreen douchevloer met kunststof afdekking, heeft men voldoende zekerheid dat ook op termijn de benodigde isolatiewaarde blijft bestaan. Alleen dan is opname van een matje niet meer noodzakelijk. Onder aardingsmat wordt verstaan: Een aardnet of aardmat is een deugdelijk gevlochten of gelaste metalen mat met: een maaswijdte van ten hoogste 0,15 m en een draadmiddellijn van ten minste 2 mm. Een mat van kippengaas of dergelijke is derhalve niet geschikt voor deze toepassing.

Zoeken

Vul een zoekterm van meer dan twee karakters in

Naar het LedenNet

Direct naar een vakgroep